Speuren

Speuren vraagt veel van een hond
Bij het speuren maken we gebruik van een zeer goed ontwikkeld instinct van de hond: zijn reukvermogen. Elke hond doet middels zijn uitzonderlijk ontwikkelde neus een schat aan informatie op. Hij doet dit dus van nature en met veel plezier.

Speuren als onderdeel van het IPO-programma vraagt echter veel van een hond. Hij moet namelijk zelfstandig werken. Het uiteindelijke doel is namelijk dat een hond zelfstandig op 10 meter van de geleider een spoor uitwerkt, waarin minimaal twee hoeken en twee voorwerpen zijn verwerkt. De hond moet bij de aanzet de geur opnemen en die vervolgens het hele spoor onthouden. Hij mag niet van het spoor afwijken.

Spoorvastheid
Het onthouden van het spoor noemen we spoorvastheid en het zuiver uitwerken van het spoor noemen we spoorzuiverheid. Dat vraagt veel training, omdat er verschillende omstandigheden zijn die het voor de hond moeilijk maken een spoor uit te werken. Het weer bijvoorbeeld. Bij felle zon verdroogt het spoor en regen wist daarentegen weer geuren weg. Ook wind kan voor oriëntatieproblemen zorgen. Een andere moeilijkheidsfactor is de ondergrond (weiland of bewerkte akker) waarop wordt gespeurd.

Spoor uitleggen
Op wedstrijdniveau wordt een spoor door speciaal opgeleide spoorleggers uitgelopen. Het spoor moet afhankelijk van het niveau een tijd liggen voor de hond dat mag uitwerken. Deze tijd varieert van 30 minuten bij IPO I tot 3 uur bij SpH 2 (speurhond). Tijdens het uitwerken moet de hond diverse voorwerpen verwijzen. Dit kunnen stukjes hout, (kunst)leer of textiel zijn. Er wordt op vijf verschillende niveaus gespeurd: IPO I, IPO II, IPO III, SpH1 en SpH2. Alleen bij een IPO I-spoor loopt de geleider zelf het spoor uit, daarna wordt dat door een spoorlegger gedaan. De lengtes van de sporen variëren van 300 (IPO I) ,600 (IPO III) tot 1.800 (SpH2) passen.
 


piketpaaltje

voorwerpen